“We moeten steeds goed blijven kijken waarmee we het geld verdienen”

CRO’s Francis Ruygt en Hans Bonsel

Het vak riskmanagement is eigenlijk ontstaan in de loop van de carrières van de nu gepensioneerde Francis Ruygt en nog steeds bij NN werkzame Hans Bonsel. Dit vak is ontwikkeld vanuit het actuariaat. Francis begon bij NN als bedrijfseconometrisch medewerker in 1974 en was een van de leermeesters van Hans die daar in 1988 kwam als actuaris en econometrist. De ontmoeting van beiden betekent ook een ontmoeting met 78 jaar ervaring riskmanagement binnen NN.

Actuarissen zijn saaie mensen die kansberekeningen zitten te maken? Nou nee, want Francis en Hans kunnen boeiend vertellen over hun ervaring als actuaris. Wat doet een actuaris of riskmanager - CRO, chief risk officer - zoals die tegenwoordig ook genoemd wordt? Kort gezegd: deze brengt zo nauwkeurig mogelijk het risico in kaart voor de verzekeringsmaatschappij. Het is de taak van de riskmanager om deze zo helder mogelijk te krijgen én ze te valideren: er moet immers heel precies een premie worden vastgesteld. Dat rekenen was dan ook een van de taken waarvoor Francis Ruygt in ’74 als bedrijfseconometrisch medewerker werd aangenomen. Francis: “In de loop van de jaren werd het een actuariële afdeling en kwamen er heao’ers bij. Ik zat bij het schadebedrijf. Langzaam werd het een vak waarbij we leerden om bijvoorbeeld een inboedelverzekering winstgevend te maken.” Hans begon na zijn actuariaat- en econometriestudie bij Delta Lloyd en maakte kort daarna in 1988 de overstap naar NN. “Ik wist niet veel van het actuariaat. Het was een soort toegepaste wiskunde, dacht ik. In het begin was ik meer programmeur dan wiskundige. Later in mijn carrière functioneerde ik in teamverband met verschillende disciplines, van juristen, financieel deskundigen en actuarissen. Ik ben vervolgens een tijdje bij Tiel Utrecht gaan werken. Daar leerde ik de basics van het verzekeringsbedrijf kennen, verkopen administreren etc. Toen ik terugkwam bij NN was er sprake van een echt actuarieel vak met tariefstellingen, verzekeringen, risico's. Toen ontwikkelde zich het systeem dat er nog steeds is: een eerste- en tweedelijnsriskmanagement. Toen ontstond ook het inzicht dat onafhankelijkheid van riskmanagementmodel belangrijk is.” Goed blijven kijken Francis: “Bij het schadebedrijf dacht men meer na over risico’s dan bij het levenbedrijf. Het schadebedrijf deed ook collectieve arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. Dan vroeg ik: ‘Leg eens uit, hoe werkt het hier?’ Ik hoorde dat deze verzekering elders een puinhoop was; een andere verzekeraar had ons tarievenboek overgeschreven zonder zich verder in de materie te verdiepen. Als er bij ons een nieuwe klant kwam, liep een collega nog een keer door het bedrijf om te kijken of alles wel netjes was. Dan werd de klant pas verwelkomd. Dat was ook een vorm van riskmanagement, maar dat moest natuurlijk professioneler.” Hans: Het levenbedrijf maakte veel winst. Daardoor was er minder urgentie om processen en risico’s nauw te volgen. Maar het schadebedrijf moest alert zijn, dat is altijd een punt van aandacht gebleven. We moeten nog steeds goed blijven kijken hoe we het geld kunnen verdienen.” Hoe ontwikkelde het vak zich? Francis: “Na een paar jaar kregen we het steeds meer in de vingers en gingen we voor levensverzekeringen rekenen met actuele informatie over rentes en levensverwachtingen.” Hans: “Voor het bepalen van risico’s zijn steeds meer disciplines nodig. Natuurkunde, wiskunde, recht, financiën, economie en techniek vormen nu bronnen die we gebruiken. In de loop van de jaren zijn risicomodellen ontwikkeld. Die worden ook steeds complexer.” Nieuwe klanten worden nu vooral door de zogeheten eerste lijn beoordeeld. Daarbij kunnen deze collega’s gebruik maken van een expertisecentrum. Als er twijfel blijft of als sprake is van bijzondere risico’s wordt de tweede lijn erbij betrokken. Francis: “Vroeger had je die scheiding niet. Een klant met een groot wagenpark bijvoorbeeld wilde korting en kreeg die wel of niet. Dit deden we aan de hand van regels die we toepasten en toetsten. Als dat was gebeurd, was het klaar. Nu kijkt de CRO breder.” Hans: “De eisen van buitenaf zijn veranderd. Naast de complexiteit, moet er ook verantwoording worden afgelegd over de risico’s. Van een simpel sommetje op een halve pagina om de vereiste buffer in het vermogen vast te stellen, naar een model van 25.000 pagina's nu. Van - oneerbiedig gezegd – een herengesprek naar overleg op allerlei niveaus met accountteams. De tijd van ‘we geloven dat ze goed bezig zijn’ is voorbij: bewijs het maar. Klanten zijn daarnaast mondiger geworden. We moeten onze besluiten goed kunnen uitleggen aan de klant.”

Francis Ruygt: “Hans was een leuke sparringpartner.”

Francis Ruygt (70) werkte van 1974 tot 2012 bij NN als actuaris en riskmanager. Hij gaf leiding aan verschillende afdelingen en zijn laatste functie was CRO ING Insurance Benelux. De lijst nevenfuncties is lang waarbij het huidige werk voor de Pensioen­commissie van VO-NN en VO-ING opvalt, naast zijn inzet voor het actuariële vak en de internationale vakorganisatie IAA.

Hans Bonsel: “Francis was een uitermate stronteigenwijze inhoudelijke collega.”

Hans Bonsel (56) is actuaris en econometrist en sinds 2015 actief als CRO bij NN Leven waar hij leiding geeft aan het tweedelijns risicomanagement.

Is die complexiteit dan wenselijk? Hans: “Ja, maar er schuilt wel een gevaar in voor de beroepsgroep: snappen we nog waarmee we bezig zijn met die complexe modellen? Snappen we het product nog? Modelcomplexiteit. Wat we ertegen kunnen doen? Nu kijken we eerst naar de verwachtingen over wat uit het model moet komen en vergelijken we de uitkomsten van het model met deze verwachtingen.” Wat was je spannendste casus ooit? Francis: “In de 70-er jaren hadden we drie grote stormen achter elkaar. Heel zeldzaam. Na de eerste twee zei het KNMI dat zo’n grote storm maar eens in de 25 jaar voorbij zou komen. En als die nu over paar jaar al komt, vroeg ik me af. Ik heb dat uitgezocht en een notitie gemaakt voor de directie om ze te waarschuwen, want we bleken daarvoor onvoldoende herverzekerd. De notitie verdween echter in de lade. Wat gebeurde er? Er kwam nog een storm.” Hans vertelt: “We hadden eind jaren 80 collega’s die uit hun hoofd premies konden berekenen en daar ook les in gaven. Toen wij als jonge actuarissen de eerste digitale modellen gebruikten om premies te berekenen, werden de uitkomsten niet geloofd. Het kostte moeite en een beetje pijn om het nieuwe te accepteren. De oude technieken bleken achterhaald.” Welke vraag heb jij? Francis aan Hans: “Maken jullie nu gebruik van senioren als adviseur? Dat had ik aan het eind van mijn carrière bij NN graag gedaan.” Hans knikt bevestigend: “Soms zijn er complexe discussies en dan betrekken we oudere collega’s erbij voor het historisch inzicht.” En Hans aan Francis: “Heb je nog tips voor hoe je het einde van je dienstjaren kan vormgeven?” Francis: “Bij NN een adviesrol vervullen. Ik denk dat er voldoende mensen met ervaring zijn om bijvoorbeeld dingen te laten toetsen, gebaseerd op gezond boerenverstand. Precies wat je soms op tv ziet: te mooi om waar te zijn. Dan blijkt het ook niet waar. Ik zit nu in de gezamenlijke pensioencommissie van VO-NN en VO-ING als een van die mensen die zich afvraagt ‘wat gebeurt er nou?’” Wat moet gezegd worden? Hans: “Francis was voor mij een belangrijke steunpilaar, leermeester en voorbeeld. Een paar van dat soort mensen heeft iedereen nodig in zijn of haar carrière. Francis was een uitermate sterke en – stronteigenwijze - inhoudelijke collega. Hij speelde nooit op de persoon, we bleven altijd even goede vrienden na iedere discussie.” Francis: Hans was een leuke sparringpartner die dikwijls mijn mening vroeg om samen gedachten te delen en discussies te voeren. En NN blijf ik een prachtbedrijf vinden dat zich geweldig heeft ontwikkeld.” (Ewald Wagenaar, foto Bettina Traas)